Vennensleutel


Flora

De begroeiing van vennen wordt sterk bepaald door de chemische samenstelling van het water en de bodem. Veel waterplanten en -dieren kunnen niet leven in zuur water. Daardoor krijgen specialisten de ruimte, enkele soorten die buiten zure vennen en hoogveenpoelen nauwelijks voorkomen. Verder is in de waterlaag van zure vennen met een minerale zandbodem weinig koolstof aanwezig, waardoor groei van waterlaagvullende planten nauwelijks mogelijk is. De plantengroei van de zure plas en de venoever is vaak beperkt tot wat Knolrus (Juncus bulbosus), twee soorten veenmos (Sphagnum cuspidatum en S. denticulatum) en Vensikkelmos (Warnstorfia fluitans). In zure vennen met een toevoer van kooldioxide via grondwater of vanuit een venige bodem gaat de plantengroei sneller en vindt veenvorming plaats. Er kunnen dan waardevolle hoogveengemeenschappen ontstaan op de oevers of op drijftillen in het water. Veel van onze best ontwikkelde hoogveengemeenschappen bevinden zich momenteel in zure vennen.


De plantengroei van zeer zwak gebufferde vennen bestaat voor een deel uit soorten die min of meer beperkt zijn tot de West-Europese kustgebieden. Deels zijn het noordelijke soorten, zoals Oeverkruid (Littorella uniflora), Waterlobelia (Lobelia dortmanna) en Drijvende egelskop (Sparganium angustifolium) en deels zuidelijke soorten zoals Moerashertshooi (Hypericum elodes) en Vlottende bies (Eleogiton fluitans). Omdat het verspreidingsgebied klein is, draagt het Nederlandse natuurbeheer een groot deel van de Europese verantwoordelijkheid voor deze soorten. Het soortenaantal van de zachte wateren is in West-Europa niet groot, maar omdat de Atlantische regio en de Boreale regio elkaar in Nederland overlappen, zijn de Nederlandse zachte wateren van oorsprong soortenrijker dan in de omringende landen. Tot rond 1950 bezaten veel zeer zwak gebufferde vennen ook verlandingsvegetaties met een sterk hoogveenkarakter. Juist door de zeer zwakke buffering kwamen hier hele bijzondere plantensoorten in voor, zoals Veenbloembies (Scheuchzeria palustris) en Slijkzegge (Carex limosa). Hier is helaas vrijwel niets meer van over.


De zwak gebufferde vennen kunnen bijzonder rijk aan soorten en biotopen zijn, rijker dan zure vennen of zeer zwak gebufferde vennen. Vaak komen in zwak gebufferde vennen minder sterk gebufferde of zure uithoeken voor, waardoor naast de voor deze situatie kenmerkende soorten ook de soorten van zeer zwak gebufferde en/of zure vennen een plek kunnen vinden. In vergelijking met de zeer zwak gebufferde vennen is het aandeel venplanten uit de Atlantische regio veel groter. Karakteristieke, bijzondere planten van zacht water of zwakke buffering zijn: Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra), Pilvaren (Pililaria globulifera), Kruipende moerasweegbree (Echinodorus repens), Stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides), Waterpostelein (Lythrum portula), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum) en Moerassmele (Deschampsia setacea). In permanent waterhoudende plassen bovendien: Teer vederkruid (Myriophyllum alterniflorum), Buigzaam glanswier (Nitella flexilis) en Breekbaar kransblad (Chara globularis). Op de oever groeien soms ook andere kritische soorten zoals Draadgentiaan (Cicendia filiformis) en Teer guichelheil (Anagallis tenella).


In sommige zwak gebufferde vennen waren vroeger verlandingsvegetaties aanwezig met zeer bijzondere diersoorten. Dit was bijv. een verlanding met helofyten zoals Riet (Phragmites australis) of met zeggen. Tussen het Riet was Plat blaasjeskruid (Utricularia intermedia) een lokaal niet zeldzame soort. Soms waren ook fraai ontwikkelde drijftillen aanwezig waarin zowel in de diepte als horizontaal een sterke gradiënt van zuur naar basisch aanwezig was. In het centrum van dergelijke drijftillen kon Hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum) domineren, terwijl meer naar de randen soorten als Slank wollegras (Eriophorum gracile) en Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides) aanwezig waren. Het spreekt voor zich dat zich in dergelijke situaties met veel ruimtelijke overgangen (gradiënten) ook een uitzonderlijk rijke microflora kon ontwikkelen in het water, met bijzondere soorten kiezelwieren en sierwieren. Helaas bezitten we nu alleen nog fragmenten van deze gradiënten en zijn de meest bijzondere soorten uit de zwak gebufferde vennen verdwenen.